ga(‘set’, ‘&uid’, {{USER_ID}}); // De gebruikers-ID instellen op basis van de ingelogde user_id.

  • _

    uit zijn smeulende vacht

    geschonden grimas

    (stroom buiten je oever)

     

    immers;

    slaapt op spijkers

    kauwt de tandeloze tijd

     

    (het vuur in mijn botten

    is aangebrand)

     

    barst de dichter in scherven

    bezinkt

    bezingt

     

    een nijpende kloof

    weifelend geloof

     

    klapwiekend wacht

    versmacht

    de taal

     

    meedogenloos, nodeloos

    stolt het gezicht tot een plicht

     

     

     

     

  • _

    Landinwaarts bloedt

    een grens

    lekt jouw spoor

     

    uw schoot ontvlucht

    onvindbaar gehucht

    laaiend gerucht

     

    (kruip terug in je schelp jongen

    klem de parel onder je oksel)

     

    zwelgt

    het landschap

    de wormen in haar buik

    doofstomme gevels slaan

    in zwijgen

     

    een naakt huis

    feest

    in stilstand

    vind ik hem terug

     

    jaagt op slaap

    omschrijft een reden;

    roerloos gelijk een dier

    wachtend op een kier

     

     

  • _

    in een wals een

    koddig theater

    van schaduw van

    veelzeggend verzwijgen

    tegen beter

     

    naderend

    smeltend

    tweelobbig ontkiemen

    speldt mijn vleugels

     

    (arboretum van

    veertig levensbomen

    van tekens die klotsen in mijn

    ontvelde bast

     

    ringen; optelsom van

    datumloze dagen

    deelverzameling van)

     

    breek de wortels uit hun grond

    sla mijn gezicht tot gruis

    plooi takken tot een huis

     

    wij getuigen

    hebben gebaard;

    grotesk, tweelobbig

    zwaarder dan

     

    zaait het voort

     

     

     

  • _

    Zij

    Hen, Hun

     

    roert met stilte

    kraken zwijgen

    aan flarden

     

    blaakt van

    een welgekomen melodie

    schampt het schaambeen (draaien

    ogen uit de kom)

     

    beroert beruste gewesten

    jeremiëren in stenen tafels

     

    wie kermt, kolkt

    hijgt

    zalft

     

    de daver uit het lijf

    schuimt in schande

     

    buiten zinnen verzin ik ons in zinnen

     

     

     

  • _

    Dromen schilferen

    zweet ik onder mijn huid

     

    prevelt mijn bedorven mond

    in bitterzoet

     

    dagen

    een stuipen ons op het

    lijf geschreven

    knijpt de tegenwoordige tijd

     

    een vleesgeworden uitroep

    beklijven niet te beschrijven

     

    schaduw in scherven

    leg je te slapen in strofen

    ons kakelvers nest van

    misschien

     

    broeden we op ons verschijnen

     

     

  • _

    nacht

    beukt

    in vlagen

    dit huis: een muziekdoos

     

    regen tokkelt

    wind fluit

     

    klaagt daar een zingende zaag

    snijdt mijn stilte in plakken

    sticht een bezadigd vuur

     

    een hoofd dat tocht van

    kieren

    laat me

    graven gelijk pieren

     

    van het zwelgende zwart

    tot het wit van ogen

     

    zo plan ik mijn ontsnappen

    vlucht van het kruis

     

    kerf je dwaalwegen in mijn huid

     

     

  • _

    een beeltenis parelt

    in de plooi van mijn oog

    proef ik syllaben

    smelt een naam op de tong

     

    Blaas tot vlees en bloed

    op het wit

    het naakt

    een canvas van taal

     

    jouw gulden snede is

    een wrede

    verblindt het zicht

     

    korset van verzen

    een strak gemeten huid

     

    hang je met haken en ogen

    ons wreed portret

     

     

  • _

    Scherp het woord

    tot een zalving

    een kaakslag

     

    gedrenkt in afstand

    bespat met ironie

    laat het tasten naar zijn context

    muren van bestaan

     

    antennes vangen de golven

    een ruis

    frequenties van leven

     

    boetseert een naam

    houwt een beeltenis

    een deernis

    een ontroering

     

    rijpt het rijm

    het zwijgen in mijn mond

     

     

     

  • _

    Bloed kleeft

    stolt in zijn loop

    dat manke ventiel

     

    met voldane handen

    plegen een doodslag op elkaar

    zijn onze sporen

     

    reiken vingertoppen

    het ledige tussen lijven

    de gestompte dans

     

    een moment

    dolend in stilstand

    kraakt ons gebinte, zwicht

    een gewicht niet te dragen

     

    druppelt het water van mijn gezicht

    vermoord in het rijpe, wiegende koren

    adem bevlekt van schuld

     

    lepel je de woorden uit mijn mond