ga(‘set’, ‘&uid’, {{USER_ID}}); // De gebruikers-ID instellen op basis van de ingelogde user_id.

  • -

    nergens zwijgt de klok zo genadeloos

    rusten uren in mijn schoot

    staan we te stamelen met een mond vol tanden

     

    soms treden de dagen hier buiten hun oevers

    breken dijken in je hoofd

    zijn wij dan bezig te verdrinken in de tijd

     

    en ons gedempte spreken is dat hoorbaar voor

    een medereiziger die hapert in het landschap

    luistert naar zijn pols

     

    dat het is opgemerkt, neergeschreven

    dat we mogen uitwissen, een dag als vandaag;

    het geziene staat geboekstaafd

     

    teistert in mijn slaap

    gebeiteld tussen de lijnen van een gezicht

    Ik ben getuige, een ziel meandert in jouw bloed

     

     

     

  • Naamloos, datumloos II

    in knetterende letteren smeult

    wat reeds gedoofd

    zwartgeblakerd

    verpulverd tot as

     

    steek de lont aan wat verstilde,

    versteende,

    in ontkenning, in afschuw

    in aarzeling

     

    verbrand ik mijn gezicht

    wat laait, krioelt

    loeit onder dit vermoeide,

    misdragen vel

     

    rustend onder een zerk

    van voorbedachte rade

    misschien, tot later

    je weet maar nooit

     

    dek je mij toe met een sprei van

    tekens zoveel als sterren

    van ik weet niet wanneer

    ik weet niet hoe

     

    nooit week ik hoe

     

     

     

  • Naamloos, datumloos

    het bittere kruid dat smaakt op de tong

    kerft tekens in de huid

    naamloos, datumloos

    de vergeten heldendaden

     

    in dit verzwegen gehucht dwalen wij met

    lede ogen; geen richtingaanwijzers,

    geen kaart vindt ons terug

    (laat ons bidden)

     

    zijn wij dan:

    poreus gelijk een steen, onwrikbaar

    getal in een som die zich niet laat tellen

    deelbaar door niemand, steeds onszelf

     

    als ik me dan verslik in het heden

    naderen de letteren met rasse schreden

    laat me een vers in een nieuw schrift

    een regel zijn in jouw gedicht

     

    raap me bijeen met woorden

    bestaan in vreemder oorden

    zet me te kijk in de kooi van andermans lyriek

    een teder smeulend, allesverterend reliek

  • Lovesong (II)

    Zij die spant in dit vel

    mijn teder abces

    verscholen in talloze ikken

    borsten die ze weet schikken

    haar pas die versnelt

     

    zij die wemelt in dromen

    laat me geloven dat

    tussen het laveren

    verliezen in begeren

    de schipbreuk

     

    ik bestemt ben

    niet om te bezitten

    te weten dat

    maar te bestaan in een drachtig seizoen

    een ogenblik van aarzeling

     

    en dan te zijn, organisch

    ontdaan van bewustzijn:

    een geruisloos tumult

    een vertakte mens

    een veelkleurig zoemende kever