ga(‘set’, ‘&uid’, {{USER_ID}}); // De gebruikers-ID instellen op basis van de ingelogde user_id.

  • Mensen die breken

    Er zijn mensen die breken

    in stilte

    in de luwte van hun schaduw

    in duizend zuchten

    een tocht die blaast gelijk een orkaan

     

    Geen huis staat nog op zijn plaats

    geen gazon laat zich maaien,

    geen haag om snoeien

     

    Onder het puin

    – stenen als dagen op een hoop -

    een foto van hem die weet te lachen,

    verlost van zijn muren

     

    Er zijn mensen die breken

    zonder scheuren, zonder knal

    geen gedaver, gepalaver

     

    Ze vinden zichzelf in vergeten

    gebaren, nutteloze vragen

    we zijn hun ballast

    ze zeggen; het is niets

     

     

  • Zonder titel

    Een doorbloede zon zakt in mijn oog

    Geketend aan de vraatzucht van

    een zachte, onuitgesproken vernieling,

     

    knieling. Gedoopt in de klater van dovemans

    water. Gezegend is zij die zei; jouw afgrond wil

    ik leren

     

    De sporen, voren in akkers zonder vrucht;

    zwoegen van ploegen tot al mijn lieve woordjes

    hebben gebloeid en weer gesnoeid

     

    Haar zotskap is te zwaar, de nijd te moe.

    Wat me nog beroert; de dramatiek,

    de ritmische lyriek; het breken van haar bekken

     

     

  • Spiegeling

    de mensaap danst de luizen uit zijn pels,

    de ratel in de tong

    staat te zweten in verwondering, bewondering

    een klaplong van het zwijgen

     

    gesnater, getater

    de zever in de mond

    de spiegel is ons wreedste seizoen;

    lacht hij de schellen uit zijn ogen

     

    zet het op een lopen

    uit een ei komt hij gekropen

    onze plaats is tussen de beesten

    in de daver van de nacht

     

    zinnen liggen op apegapen;

    heeft hij krampen van het krimpen

    in haar gladde vacht

     

    zijn gestamel is universeel gekrakeel