ga(‘set’, ‘&uid’, {{USER_ID}}); // De gebruikers-ID instellen op basis van de ingelogde user_id.

  • VII

    Als je lichaam plooit in een dans – zijn

    moorddadigste cadans – moet ik bedelen.

    Bochten die ik niet versta knopen mijn tong,

    longen die fluiten in paniek. Deze ogen zijn een

     

    spiegel: wentel om je as in dat heilig sacrament,

    spot met de zwaartekracht. Sta ik gelijk een

    ezel gekooid in zijn stal. Als ik balk tegen

    de muren in lange, naargeestige uren. Kom je

     

    drijven in een gloed, slaat de zondvloed in mijn

    gemoed. Jouw vrouwen zijn velen, zoals je vervelt

    zoals men vertelt is mijn tijd achterhaald.

     

    Duizendmaal geleefd, kleef je aan mijn tong.

    In bitterzoet. In een zweem

    In dorst van horden hitsige honden

  • VI

    Heden ben ik de sluimerende sluipschutter

    in zijn schelp, kankerend gezwel. Splijt jouw

    vacht in zwijgen. Scheur mijn huid aan geblutste,

    geklutste dromen

     

    Een snerpend geschal woont in dit huis, schalks

    geschater. Klater zonder water. Heft deuren uit hun

    kier, klemt dagen in verbijstering. Blaast mijn

    vermoeide bast tot spaanders

     

    Want ik hoor je kousenvoeten piepen. Bespelen

    de treden van een besneeuwd paradijs, geuren

    naar radijs. Leer je me verachten in wachten

     

    Van de rente die woekert met mijn genen, schulden

    niet te overzien. Van een meedogenloze bedeesdheid,

    haast obsceen. Nodeloos crimineel

     

     

  • III

    Reeds drie dagen laat ge me gapen met een vreemde

    smoel; dat geknoei met wolken, verraad van de zon

    Kom je rusten in dit verziekte bed, mijn gymnastiek

    van gebaren

     

    Tast in mijn zakken, ratel met mijn ballen van papier

    Nog één glimlach heb ik bewaard, gesteriliseerd in een bokaal

    Gemaald, geradbraakt op een wiel, teerling zonder ogen

    staar ik door een nieuwe bril

     

    Draait haar kont voor geen beurs, maar komt met een prijs

    Een fortuin aan jodelen, wiedt ze het onkruid dat tiert

    in mijn hoofd

     

    Hopeloos richt ik mij in gebed tot de goden, beloof

    een vasten van sardienen en water. Met de finesse van

    een gewisse dood lachen ze hun bleke, weke tanden bloot

     

     

  • II

    Karakteristiek voor dit veelkleurig verdriet;

    de omtrek van haar buik, een vergiet dat lekt in

    dromen. Krampen op een lege maag, een zwijgen

    dat wurgt in ons vel

     

    Minuten drukken op de pols. Haar guitig

    starende staart vergaard geen stof.

    Melancholie druppelt in refreinen; een bard

    met alle deuren op een kier, hongerig gelijk een gier

     

    Een wreed stamelend gezicht verricht zijn zwijgen,

    hijgen op papier. En wie om zeggen; ga en sta op uit

    uw grijze, wijze woorden. Uw gewaden van zak en as.

     

    Vermenigvuldig uw zinnen, plant zaden in nieuwe wandaden.

    Leer verzuchten in een klucht; een sonnet op één been.

    Word ik nog haar meester, haar sluimerende slingeraap

     

     

  • I

    Nu dat bloed gestold is in hun aderen,

    een gerucht gaan liggen

    De wind vertelt van een complot in een

    ander continent

     

    Ging hij schuilen in het lover,

    biechten in het hoge gras

    Onder een loeien van dolle koeien,

    knarsen van kieren, gapen van wonden

     

    Hoe vertel je een misdaad aan fazanten en konijnen,

    van haar gewillige klippen. Gevels zoeken tot hij een

    naam kan lezen, een lamp die seint zonder venijn

     

    Liet ik hem daar achter; happend naar leven,

    bellen blazend in een poel. Als spraak gaat bloeden

    moet ik broeden, een nest van ontheemde woorden