ga(‘set’, ‘&uid’, {{USER_ID}}); // De gebruikers-ID instellen op basis van de ingelogde user_id.

  • Een nare geschiedenis

    Haar glimlach van diamant

    Zijn verstomming in vermomming

    Apathie gelijk dysenterie

    Nagelt met schoenen

     

    Mocht ik kunnen spreken

    Ik beschreef de geur van de

    Muskusos

    Mijn strijdros in zijn arctische toendra

     

    Loop er blootvoets tussen grassen en mossen

    Tel de vogels in het zwerk

    Mijn plek in een permafrost dat jeukt aan mijn tenen

     

    Woekert in mijn genen. Kan ik nog tonen wat

    Ik heb gevonden in het vocht van wonden

     

    De mens weet zich genezen van alle ziekten. Stuitert

    In zijn buikvet; neem een pilletje om te slapen

    In zijn gapen is hij gestorven; pixels schijnen in zijn ogen

     

     

  • Eveline misschien

    Met geknakte knieën want het

    Hoofd is  zwaar om dragen

     

    De gaten in weten,

    Rare kronkels van vergeten

    Waar muizenissen tieren

    Langs wijdopen kieren

     

    Die verrokken spier die vreet door

    onze bast van hout; perst haar

    Lippen tot een zwijgen

     

    Het hijgen, kruipen van  bloed,

    haar gewroet

     

    De open wonde die dat geeft

    Mijn koudvuur om jou

    Wankele staat van begeren

     

    In alle van onze hoeken zien we blauw

    Van de kou

  • Ontwaken op een mooie dag: II

    Hoe fantastisch te proeven

    Te bijten, te niezen

    Te vriezen in het landschap, te dwalen

    In een geur van bloemen, in geel van Van Gogh

     

    Niet langer klateren, bladeren in een volgzaam dagboek

    Vouwen; een dag als origami in je hand

     

    Een rivier kan niet ontbreken - drijft daar niet een

    dood kadaver - en de wormen in een pels, de parasieten

    Genieten in andermans bloed

     

    En ginder iemand die verdwijnt tussen wolken

    Een spoor trekt dat niemand volgt; is hij god in gedachten.  

    In scheppen wil hij dalen, drenken in papier

  • Woorden willen daveren

    Verlangen breekt in mijn tong;

    Kwijl een doodlopend spoor

    rijmen op domoor

     

    De klok tikt uit de pas, wijst de

    Kamer in. Muren slaan een kruis,

    prevelen in gebed

     

    Dieren van de nacht dwalen in hun

    Kooi van  maanlicht, elk pad is doordacht

     

    Mijn lichaam is een zeil op het water, ogen

    Die wijzen. Aan de rand eindigt de wereld van weten,

    Storten  leestekens in de diepte

     

    Een vraagteken blijft overeind, een uitroep ingeslikt.

    De woorden willen  daveren in hun context. Zie ze

    Zwellen, barsten in hun schil