ga(‘set’, ‘&uid’, {{USER_ID}}); // De gebruikers-ID instellen op basis van de ingelogde user_id.

  • Sonnet V

    Dat poezie emotie is heb ik nooit beweerd

    Integendeel heb ik me ten stelligste verweerd

    Dikke tranen die zich mengen met inkt

    Voeren me terug naar de leefwereld van een kind

     

    Toen zelfmedelijden nog niet bestond, men zich nog

    Oprecht kon verwonderen om een ondergaande

    Zon, een fietsband die langzaam lost. En zo is

    Het gegaan; stond ik plotsklaps te voet langs de

     

    Weg. In die surplace waren er plots zeeën van

    Tijd voor het uitdiepen van tweedehandse lyriek

    Over wolken en bomen, de efficaciteit van het vergiet

     

    Zij die ik nader wou brengen gingen allengs

    Op de loop. Want zo vergaat het altijd; wie zich

    Kleed in dramatiek brengt de redelijkheid in paniek

  • Sonnet IV

    Sinds ik je ken lijkt mijn blik wel behekst

    Schijn ik beter te verdragen

    De mensheid mij in onbehagen geschapen

    Al dat grijze, grauwe, veel te nauwe

     

    Pak om dragen; de hoge kragen van goed

    Fatsoen. Mijn blazoen weinig benijdenswaardig

    Naar men zegt  wel aardig maar al te vaak

    te  tegendraads voor zijn eigen goed

     

    Diep vanbinnen gaat soms wel een vogeltje

    Zingen als ik zin heb om te beminnen. Ga

    Ik behagen, alhoewel moeilijk om dragen

     

    Zeg ik tegen de buurvrouw; uw rozentuin

    Heeft de aanschijn van het paradijs. Moet ik

    Dagen rusten redelijkerwijs, bleek als een pladijs

  • Sonnet III

    Heb hier geloof ik mijn bloed gelaten

    Tussen de lijnen een half leven vergapen

    En met dat inzicht koop ik niets terug

    Wijsheid gaat vergrijzen, onafdoende de

     

    Bewijzen dat ik met dit schrift kan verrijzen

    De mensenzoon las geen gedichten, alhoewel

    Hij sprak in metaforen. Het genie van Rimbaud

    Dat na een meesterwerk besloot te verdwijnen

     

    Ik is een ander. Heeft hij die ander ooit gevonden

    En is die niet net als wij kokend in razernij als

    de afstandsbediening het placht te begeven

     

    Het beven als ze me roept bij mijn naam. Bukowski

    Had vijf vrouwen te onderhouden. Een knipperlichtrelatie

    Met de muze. Celibatair, cerebraal, glad als een aal

     

     

  • Sonnet II

    Trouw aan petrarca struikel ik nog veertien

    zinnen tot het eind. En aangekomen: welke zijn

    Mijn dichtste buren, in welke verte kan ik nog

    Turen, onder welke rokken kan ik nog gluren

     

    Want hier is droogte het hoogste goed,

    Schuimt men met zijn tanden. Gestamel aan de

    zijlijn volgens de regels van geen kunst.. Koket

    Met een pet ben ik voor even de man in de straat

     

    Houdt hem staande, schudt de stuivers uit zijn zakken

    Zijn gebedel , zijn geprevel is niet meer dan wieden

    van het jonge kruid in zijn gazon

     

    Op de cadans van breinaalden versmoort hij in

    Ergernis. Zijn godsvrezen is in wezen een teveel

    Aan leedwezen, het sijpelen van een kraan

  • Sonnet I

    Een tochtend hart wil piepen met alle

    Deuren. In het blaffen van een manke

    Hond hoor ik de roep van een maagd

    Ben ik een schim op een schimmel

     

    In gestrekte draf naar nergens heen. Gelijk

    Een duivelin kronkelt ze in duizend

    Wulpse bochten, wurgt de laatste druppel

    Smachten uit dit devote lijf

     

    Drijft ze de spot met mijn basiliek van driften.

    Maken we sommen van begeren tot het haar

    Gaat vervelen. Liefde is een priemgetal.  

     

    Minnestrelen jammeren virtuoos, vruchteloos in

    Bedekte termen midden van een bos. In een

    Donkere kamer zie ik ze staan, verzen likken hun ruiten

     

  • _

    Wat heb ik U allen te bieden

    Welk soortelijk gewicht werp

    Ik in de schaal. Mijn soort laat

    Zich niet wegen; onze moleculen

     

    Zijn transcendaal. In hogere sferen

    Is het een liederlijk vertoeven met

    De muren de uren en stille buren zijn

    Het hoogste goed; het beddengoed laat

     

    Zich schikken zonder verweren. Maar

    Die ijle lucht gaat soms vervelen durf

    Ik beweren met aangeschoten gemoed

    Draai ik de steven, de mensheid te gemoed

     

    Ik kan peinzen, veinzen, terechtwijzen,

    Terugdraaien en weer omdraaien binnen

    De minuut. Stel mezelf met regelmaat in

    Vraag; vraag dan: hoe kan ik U bedienen

     

    Met deze wankele mechaniek van zinnen

    Ben de garagist van een tweedehandse taal

    Die ik ontleen aan al die simpele zielen die

    Dagelijkse knielen; het genie dat ik bewaar

     

    In een bokaal. Mag ik U vertellen van dat

    Lossend ventiel; ik smoor de emotie

    Professioneel in de kiem, vertrouw ze toe

    Aan verzen tot ik ze niet meer verdien

     

    Betwist de religie, de kreeftskeerkring

    De almacht van de televisie, het gebrek aan

    Visie van de man in de straat. Van het tekort

    Aan klandizie zucht ik mezelf uit de naad

     

    Liefst leg ik me t te slapen onder een jonge

    Perenboom, tel ik de vruchten die vallen op

    Mijn smoel.  Kan de tanden zetten, verteren

    en verslapen; wakker worden is een linke boel