ga(‘set’, ‘&uid’, {{USER_ID}}); // De gebruikers-ID instellen op basis van de ingelogde user_id.

  • _

     

    Wat heb ik me hemelsnaam misdaan

    Om , deductie is zijn dada

    Goddeloze bijbel met een verspreking

    Op elke bladzijde

     

    Staat  te blinken in het avondrood

    De zon aan de einder zinkt niet in

    Zee, valt in gensters tussen de bomen

    Zijn braambos staat in brand

     

    Het bankroet van verbeelding misschien

    Aan de krolse dokteres van de mutualiteit

    Mijn ziektebeeld;  heupen fris van

    Lefever,  een hardleerse endeldarm

     

    Met een gezicht van antraciet ziet

    Men niet; zijn veelkleurig venijn,

    Gestolde spraakwater. Het aureool

    Diep in de broekzakken

     

    Ik wil me kluisteren aan een oor

    Broodjes hoofzonden smeren

    Concentreren zonder divergeren

    Een blik op Gods Koninkrijk, een linkertiet

     

     

  • (48)

     

    Ook poezie sterft in het harnas,

    botst met het einde van een tunnel

    draait zich om onder een zerk van papier

    haar bloed is van addergebroed

     

    Is de ziel te boetseren; klei tussen de

    Tanden. Vangt een afdruk van zijn

    Gedachten, blaast zijn asem aan scherven

    Manke kwatrijnen betasten zijn kruis

     

    Hun zaad waait in de wind

    Hun ingewanden knopen op rijm

    Krassen wat ze zeker weten; dat

    Ze van geen wijken willen weten

     

    De goden willen lachen met hun

    Schepping, sneeuwen op onze kop

    In het wit van hun tanden staat

    Een spiegelbeeld, een eeuwig verbijten

     

    Ik heb haar licht gezien, het scheen

    In het donker. Loop ik tegen kasten

    En muren; overal schuurt je naam

    De mensaap leerde borduren op spijt

     

    Zijn slapen zijn grijs van verschieten

    Staat  tussen de regels met gezwollen buik,

    darmen in zijn handen

    Zijn radeloos gereutel is van alle tijden