ga(‘set’, ‘&uid’, {{USER_ID}}); // De gebruikers-ID instellen op basis van de ingelogde user_id.

  • (44)

     


    Dit huis gonst van zijn geruchten

    Ze schreeuwen door de ramen

    De nacht luistervinkt, knijpt zijn

    Ogen dicht

     

    Katten weten wat zingt

    In hun vacht, de roep van het

    Koekoeksjong in zijn vreemde

    Nest, horden tamme muizen

     

    Verschansen in een bast die spant

    Ongenadig kraken krekels in mijn

    Kop; haar malende kaken

    Versplinteren de deur

     

    Vandaag is een mens gestorven,

    Ik heb hem gekend

    Een ziel is buiten haar oevers getreden

    Een nageslacht moet waaien in de wind

  • (43)

     

     

    We delen de Buhne

    Maar geen woorden

    Streel je adem soms

    Schrijf de noten van je pols

     

    Delen scherven gebroken spraak

    Drijfhout dat splintert

    In mijn tong, zoekt zijn

    Monding ergens

     

    Een hond langs de kant

    Riekt een onzichtbaar spoor

    volgt de luizen in zijn vacht

    blaft naar hersenschimmen

     

    Hier demp ik een put met kaken,

    scherp mijn vuisten

    Vergeefs, edel dierbaar publiek:

    De getemde dierenmetaforiek

  • (42)

     

     

     

    Gisteren sloeg mijn laatste uur

    Vandaag sla ik over- zo mijn hart

    Alle dagen slaan met uren

    Ik sla nooit terug; ik incasseer

     

    In de straat sterven mensen, in

    Hun keuken, in een duiventil

    Ze weten niet, sleuren met dagen

    Dagen slaan hun in de boeien

     

    Ze sterven in hun ogen

    Zien dat niet, kijken scheel

    Naar hun blik. Liegen met ogen

    als ze zeggen; ik hou van jou

     

    Hun ooghoeken denken

    Anders. Ik lieg nooit als ik

    Naar je kijk, ik denk

    Je leest mijn ogen als een spiegel

  • (40)

     

     

    Midden de nacht

    Kijkt hij in het donker

    De nacht staart terug

    Zwart naar zwart

     

    Hoort hij zijn sterfelijkheid ruisen

    In het struikgewas

    Roept zijn moeder nog steeds

    Op de gang

     

    Katachtig doorboren pupillen

    Vissen schuilen in bokalen. Braakt zijn

    moe vel zonder weemoed.  Het ego laat

    zich niet strijken, trapt op zijn staart

     

    Lippen verstaan zijn gedacht niet

    Hun taal is zonder woorden

    Bomen reiken vingers in verwondering

    Zenden hun wormen uit

     

    In nevel hurkt de ochtend

    Kokhalst in rare vragen

    Wanneer ben je man

    Je wil de dingen die mannen willen

     

     

  • (38)

     

    Kom tuiten met oren

    rede kneust mijn ribben

    Verschiet, galoppeert in

    Gestrekte draf

     

    Papaver in spoorbermen;

    Rozen zonder doornen

    Je lach prikt, een lijf slaat

    Op hol, scheurt uit zijn vel

     

    Staan we te smelten in juni

    Midden  een stomme film

    Woorden vervriezen, stuiken

    In hun startblokken

     

    Stel we vertrouwen als blinden

    Op onze tastzin,  stoten steeds

    Dezelfde steen. Dwalen zonder weten;

    Laten we  vinden in het hoge gras