ga(‘set’, ‘&uid’, {{USER_ID}}); // De gebruikers-ID instellen op basis van de ingelogde user_id.

  • (29)

     

     

    Tam konijn in’t vizier; de talmende

    Lichtbak

    Fluit de Talmoed tussen de kiezen, huist

    In parabels. Citeert uit het puin

     

    Waad zonder adem in zijn spraak

    Aan de oever de doden, de levende doden,

    De voetnoten. Tollende zinnen in een schelp:

    de waas van haar schrift

     

    Een houten been op de stroom

    Kiezel voor blote voeten

    Drop, klimop

    Gapende mondloze morgenstond

  • (28)

     

     

    Balancerend in overmoed

    Iemand wees je borsten aan

    Verslikte je onschuld

    Wie puzzelt de vrouw

    Leert je denken als een dier

     

    Prooien van elkaar

    Een zacht verscheuren, een

    Gesmoorde overgave

    Wijst het masker aan

    Het veinzen van woorden

     

    De politiek van ambitie

    Rare kronkels van het bloed

    Het hart dat een slag vergeet

    De slangenhuid die vervelt

    Voor hij zichzelf herkend

     

    Vertelt over de genadige kogel,

    Het schuren van de strop

    Verzwijgt het hoger plan

    Zegt vanavond verplant ik in

    Vruchtbaar erbarmen

     

    Wil wortel schieten in stilstand

    Heeft nooit dorst

    Het branden dat wonden dicht

    We zijn ons  harde heelmeesters

    Kust je ogen en verdwijnt met mate

     

    Zwerven uit elkaar, waaien samen

    Blazen nieuwe lucht

    Geeft jou zijn adem;  wil je hoge

    Noten fluiten

    Geeft jou zijn adem; blaas tot stof

     

    In de schijn van alles dat maakbaar is

    De maakbare mens, gesponnen uit instincten

    Zegt; nu kan je loslaten

    Niet het vallen, noch het gewichtloze:

    Het lichtzinnige

  • (27)

     

     

    Een kleven van geuren

    Hoorspel van hakken op het asfalt

    Verslikte woorden geweven

    Een verwaarloost gebaar

     

    Passanten  in het raam prikken

    Groener, borsten zwellen welig

    Duistere gewaden krimpen

    In betekenis

     

    Ergens ontpolft in splinters

    Verbrijzelt, verkoolt

    Onder gezangen van sopranen

    Door veelkleurig glas

     

    Daarachter het blauw in de

    Verte, gedragen door paarden in gallop

    De aarde in kloven getrokken

    Poreus, kneedbaar; een seizoen

  • (26)

     

     

    Hij die van niemand is slaapt op een

    Kussen van steen, sterren zoenen zijn billen

    Droomt niet  rechtvaardig

    Zijn dromen lopen leeg

     

    Jaagt op wolken met een noorderwind

    Draagt de zon naar het zuiden

    Roept de zwaluw bij zijn naam

    Oefent een nest

     

    Wacht op een trein met vertraagde uren

    Zijn wijzers staan altijd stil

    In het landschap ziet hij de voren

    Sporen zonder beschaving; een list

     

    Dagen verkondigen zijn ontsnappen

    Kamers die zich niet laten vullen

    Hij verdwaalt er met ogen,dwaalt zonder verpinken

    Hangt in zijn verleden tijd

  • (25)

     

     

    In mijn borst hoor ik haar op mijn

    Asem trappen. Een zon raakt met wijzers,

    uren schijnen in mijn lege zakken. Knellen

    in compromis van vlees en bloed

     

    De levensloop van het vers snelt voorbij,

    Horden van kwatrijnen om te stuiken

    De woelmuis die gaten graaft, ze weet

    Er steeds haar nest te vinden

     

    Komt ze als een kat op gedempte poten

    Krapt krols in mijn slaap. Dekt wonden

    Met haar vacht. Geef haar te eten; proeft

    Rijpe zinnen met teugen

     

    En de jaren; die schreeuwen in mijn haren,

    Trekken de tongen recht.

    Is mijn blaffen verstaanbaar nu

    Ik weet nog steeds niet wat te zeggen

  • (23)

     

     

    Een hoofd knelt duizend betekenissen

    Schuilen bijziende woorden

    Druppelen stenen de smaak van citroenen

    Een kamer  zwanger van gedachten

    barst  in onbevlekte ontvangenis

     

    Hebben kiewen bedacht;

    Snorkelen onder de zeespiegel

    Waar papegaaivissen weten zoenen,

    de hand in haar slipje loeit en krioelt

    Van schaamrood

     

    In vurige tongen lopen we over;

    lispelen een onverstaanbare taal

    Dialecten van verstomming, wartaal van kreupele

    Zinnen.  

    Kriepend kuiken zoek je naam

     

    Mijn oren tuiten bargoens

    Je tanden klapperen

    Je oren flapperen

    Je ogen blinken

    Een mens meandert in vlees, blaast mijn longen vol

     

    Zo zoeken we  op de tast

    fluisteren in vergeten holen

    Jodel als een Zwitser tegen bergen

    O wijze man op de top, wat is geluk

    Welke kleur heeft ons verzwegen