ga(‘set’, ‘&uid’, {{USER_ID}}); // De gebruikers-ID instellen op basis van de ingelogde user_id.

  • (20)

     

     

    De tand des tijds  bijt onder mijn oksels;

    krioelen daar languit in hun hof

    Versmacht  in  wierook,

    onze paringsdans met de roem

     

    Als het rijm spreekt: moet ik  wroeten

    Bij de beesten, varkens zonder stal.

    Wie is ons sop waard. Wie zegt; sta op

    En wankel in genade

     

    Matrozen drinken  vreemde oorden,

    waaien in haar schoot

    De rijpe tak die kromt zonder vrucht,

    kluistert aan de geur van andermans kleur

     

    Barden berichten; Petrus’ kerk kolkt

    In het schuim. We staan in  witte rook

    Wachten, verachten

    Het weer dat knelt in onze kou

  • (19)

     

     

    In weemoed wemelt het heden

    Bijziende bagger van historiek

    Het snot uit de neus, het fietsslot

    breekt het vers in ademnood door zijn vliezen

     

    Staan de doden zij aan zij

    Ingesneeuwd zonder erbarmen; de

    Genade van de spleet niet langer aan

    Hen besteed

     

    Laait, woelt, schuilt

    Ingekapseld in bollen in de stenen grond

    Proeft daar een vreemde  tranen

    In zijn scheve mond

     

    Smaakt het zout, gist op de maag

    Een mens in duizend stukken

    Hulpeloos als prei in zijn afgietsel

    Van vlaamsche klei

     

     

  • (18)

     

     

    Het vers woekert in besluiteloosheid

    Soppen tussen kant en wal

    Wil het weten van een tuin in Kathmandou

    De veerkracht van de ruggengraat

     

    Hun weerbericht; gisteren streelde met

    Een bries, vandaag een regenkramp

    Liefjes vervliegen, zand in mijn Sahara

    Metronomen van dit gereutel

     

    Een dieseltrein duwt achttien wagons kiezel

    Mannen bouwen treinen, vrouwen wuiven

    Ach mens toch, ik had zoveel willen geven

    Ge verliest uzelfen onderweg

     

    Wie  kan teruggeven; een kind,

    Adolescent, een halve vent

    Een geknakte stam staat zo sexy meneer

    Schim gevangen in tegenlicht telt ze zijn

     

    Ringen met een kushand. Hij leeft in een

    Valies, verdampt zuidwaarts. Een trekgans

    Voor hun winter. Ergens zal hij broeden

    Op een leegte, zijn aangebrande kruis

     

  • (17)

     

     

    De simplistiek van gebroken lyriek,

    Luider dan filosofen

    Krassen op een schoolbord

    Een kamer declameert een refrein;

    Een heerschap met altijd koppijn

     

    Heeft een profeet vette haren, een

    Versterker op tien

    Die doornenkrans was een zotskap

    Snoof zijn laatste maal, Magdalena droeg

    Een kind

     

    Zieners rouwen om hun beurzen

    Mode  moet grillen, volgelingen

    Kastijden. Ik lees je schrift, je wou

    Niet over water lopen. In zinnen

    Verzinken; een uitroep, in weemoed

  • (16)

     

     

    Het zwerk klieft

    Maar niet vandaag

    Vandaag is een dood vogeltje in de schoot

    Ze bekt niet langer

     

    In tegenlicht

    Een dwaallicht

    Een rood licht

    Wankel, dwaal nader

     

    In plastieken woorden

    Geslepen ornamentiek

    Klassieke hoer

    Kakelende kip

     

    Wit konijn uit eigen hoed

    Pak de jager bij zijn nekvel

    Stroop een verleden

    Schik zijn  heden

     

    Leer verzen lopen

    In weerwil, desondanks

    Een smartlap zit hem op de hielen

    Zijn schaarse gebakken lucht