ga(‘set’, ‘&uid’, {{USER_ID}}); // De gebruikers-ID instellen op basis van de ingelogde user_id.

  • (3)

     

    Wat rust onder dit pluizige

    Tapijt, gelig vloeibaar als

    Een ei; mijn schijf van phaistos

     

    Geklemd, gemeten in verzen

    En coupletten; tocht van

    Sentimentaliteit, seniliteit

     

    Het ronkt er van bedekte termen,

    Versprekingen met voorbedachte rade

    Ismen, neologismen

     

    Daar is een kind verdronken, een

    Man gestrand in steigers. Een

    Prototype met een ziel en altijd buikpijn

     

    Schudden de wolken nog steeds

    Onder haar voeten, pedestal die

    Me spreekt met gekloven lippen

     

    Een vuur; brandstapel, vreugdevuur,

    Een vuurtoren. In deze kamer; de rook en

    De as, zij met de pauwenveren

     

    Ze mag me verstrooien in alle van

    Haar hoeken, diepten. Onder het

    Schudden van haar matras.

     

    De seconden van gedachten terwijl ze

    Haar veren schikt. Baltsende kraanvogles

    kondigen  het voorjaar aan

  • (2)

     

    De verste brug is die aan je voeten

    Vallen in paniek zonder elastiek

    Ritmisch stuiterend op mijn kinnebak

    Een bebloede martelaar is nergens

    Op zij gemak

     

    Maar ik kan gaten graven in mijn

    Plankier, ergens op een kier

    Een deur door melancholie

    Langs overmoed in een kamer met

    Niets dan vergezichten

     

    Overal spreekt men van wroetend

    Zoekend geduldig bouwend

    Loert men tussen mijn kwabben

    Iedereen weet intussen van mijn plan, bericht van

    Ons onbeholpen  gezwam

     

    Nergens van vinden, struikelend in het wit van ogen

    Gevangen in haar banbliksems

    Het curieuze gevoel bij goede raad;

    Niemand heeft de zinnen om te zeggen

    Van het venijn in haar staart, een blik die versteent

  • (1)

     

    Ontsponnen uit wartaal die druppelt in zijn

    Hoofd, lekt zonder mond

    Druppelsgewijs

    Onwijs

    Het rag van haar vege lijf dat niet langer

    Onschuld veinst

     

    Niet het hangen als prooi; het malen van

    Haar kaken

    Beloeren en kruipen om dat ranke vlees

    De aalmoes in een iris

    Het bloedspoor aan haar vacht, wat

    Bloedt uit mijn zijde

     

    Het wachten, garen van botten

    Luisteren naar  versprekingen die

    Heimelijk vezelen, negatie van een

    Voldongen feit;

    Haar krampen in mijn darmen

    Ratelen van onze mondloze tanden