ga(‘set’, ‘&uid’, {{USER_ID}}); // De gebruikers-ID instellen op basis van de ingelogde user_id.

  • Ornithologisch

     

    Ze scheert haar lange rozige flamingo poten

    Kwettert als twistzieke mussen

    Als ze zingt denk ik soms mijn

    Naam te horen

     

    Van drukdoenerij gaat ze vliegen

    En waar ze landt wil je niet meemaken

    Kraai met gebroken poot

    Ergens aan een raam

     

    Ik wil haar kooi niet

    Noch haar kruimels

    Een vlucht en onder haar rokken kijken

    Haar jongen uit het nest duwen

     

    Als ze vandaag even uit mijn hand eet en

    Zich door niemand anders laat vangen

  • Filosofisch

     

    Een zenmeester kent de waarde

    Weegt de waarde in zijn handpalm

    Wat weten wij van waarde

     

    Wij verbezigen, bezigen op

    Willen van geen waarde weten

    Zijn waardenloos; waardeloos consumentenvlees

     

    Een zenmeester roert, zeeft

    Tot niets dan water en brood

    Ze staan altijd scherp

     

    Ze willen zweven

    Wij moeten dromen van dromen

    Een zenmeester zweeft door mijn dromen

     

    Spreekt in mijn verzen

    Hij zegt me dat ik mijn tijd verdoe

  • Neruda, ik beken

     

    Ik beken, ik heb nooit geleefd

    Sta in mijn marge

    Kijk, bekijk, zoek onder stenen

    Draai stenen om

     

    Een pissebed die komt als ik

    Hem roep

    Ik moet vervellen

    Nadien herken ik mezelf niet meer

     

    Mijn broer heeft geleefd, leeft

    Zegt mijn vader want hij heeft geleefd

    Bij de buren leeft men, in de kelders

    Van de buren leeft men

     

    Ze leven zichzelf voorbij, zijn dan

    Uitgeleefd, moe van het leven, willen

    Niet meer leven

    Ik oefen in vergapen

     

    Ik slik in en daar is geen  kunst aan

    Heb niets te vertellen, vertel  dat

    Daar komt zelden kunst van

    Levensvlijt slijt tussen verzen

     

    Wij zijn altijd bezig met overleven

    Wij overleven nog onszelf

  • Ik ben een potvis

     

    Lichaam dat kermt zonder pijn

    Gewillig gebroken botten

    Littekens zijn een landkaart

     

    Een ziel lek als een zeef

    Sentiment ging eerst overboord

    Kapitein van welk schip

     

    Roeien!roeien!Ik wil roeien

    Goed voor de conditie, clandizie

    Opblaasbare; ik spaar mijn asem op

     

    Die breken nooit op de rotsen;

    spoelen altijd ergens aan

    Ik ben een potvis; kom me versnijden

     

    Mijn welriekende darmen zijn geld waard

  • Dichters aan het infuus

     

    Geef hem een pilletje

    Leer  hem slikken, doorslikken

    Zijn voelsprieten trimmen

    snorharen scheren

     

    Mag ik aan je wandelstok lopen, je

    Passen tellen in mezelf

    Tasten met de lichten aan, mijn tenen

    Schandelijk stoten

     

    Schaterlachen, scheurbuik van het lachen

    Schuilt er methodiek in verzen; een

    Doktersvoorschrift lastig te lezen

     

    Hoesten en rochelen in zieke woorden

    Een infuus van taal; hij mag nooit genezen

    Hier mag hij rijmen op zichzelf

  • Goede voornemens (opnieuw)

     

    Niets durven betekenen; roeren in mijn

    Koffie. Ik ben de vissen vergeten

    Woordeloos, nodeloos

     

    Alles is uitgeziekt; nog dit simpel

    Genoegen. Tot genoegen, hoe maakt

    U het, tot ziens, tot zoens

     

    Een oeuvre staat niet geschreven, al

    Te rechte voren geploegd in een

    Land, burger, belastingbetaler

     

    Ik belast tot bloedens; elke opening

    Kermt van deficiet. Im moet dribbelen buiten

    De lijnen

     

    Geeuwen en schreeuwen van jeugdige overmoed

     

     

  • Pessoa spreekt

     

    Sfinx die proeft met oude lippen

    Genoegen van gehouwen marmer

    Ik moet hier spreken vanuit een steen

     

    Rondom kakelen de geuren en kleuren

    Van vergeten vruchten die moeten smakken

    In mijn kop

     

    De polsen die mij dragen, dit draaien om

    Mijn as. Zonnen die spuwen, stervende

    Sterren in een storm

     

    Ik en mijn zwart gat. Ik stuik nog van

    Mijn sokkel, sleep me door die stad

  • Bijna lente? (II)

     

    Ik voel de lente in mij woelen

    Krioelen van beestjes, een reiken

    Buiten mezelf van bloeien

     

    Van versgemaaid gras dat jeukt

    En prikt tot bloedens, nergens geurt

    Het groener dan hier, zelfs niet bij de buren

     

    Die gluren nog door de kieren van een

    Ander seizoen, rieken aan de lucht die

    Dauwt met natte voeten

     

    Een soppen in mijn sap, kolken in mijn

    Bast; drinken tot dronken. Verdrinken en

    Drijven. Wie gelooft haar kwetterende

     

    Gerucht, de kleur van toeters en bellen