ga(‘set’, ‘&uid’, {{USER_ID}}); // De gebruikers-ID instellen op basis van de ingelogde user_id.

  • Evolutietheorie

     

     

    Sommige paarden die onder de voet lopen;

    Een struikelen over mezelf. De igloo die ik

    Bouw

     

    Van vrouwen verwacht ik niet meer dan

    Borsten en billen, wellustig verglijden. Een

    Vonk? Die gaten in mijn dak

     

    Maar langzaam invriezen is bewaren; de afdruk

    Van een mammoet, oetzi in volle wapendracht.

    Krassen in een steen

     

    Men mag me vinden in een ander paleoceen, na

    Een oerknal

     

  • Searching for Utopia

     

    Verdelen, vierendelen

    Op dit blok wil ik sterven

    Voor een nacht

     

    Meehuilen met jouw wolven met

    Mijn broek op de knieën

    Een verscheuren met zachte dwang

     

    Inquisitie van rondingen en gewelven

    Die  mijn botten breken. Weken van water

    Noch brood; onze wonden likken

     

    Beoordelen en veroordelen tot niets

    Dan jouw levenslang. Voortvluchtige

    Pelgrim zonder ros of graal

     

    Al te banaal

  • Kinderspel

     

    Ik heb je nooit herkend

    Je gaat schuil achter wat ik niet kan

    Lezen. Dat gesprek heb ik nooit gevoerd

    Ik moet je vragen

     

    Tegenliggers maken blind; dwaallicht

    Of Lorelei

    Ik ken dat zingen waar mijn schepen

    Blijven vergaan. De kapitein gaat eerst

     

    Je staat in sommige sterren geschreven,

    Maar een bokser loopt met zijn kop tussen

    De schouders

    Je laat je vermoeden, later

     

    Ik weet iemand die koffiedik kan kijken

    Bedachtzaam sta je recht,

    Laat een voetje hangen

    Mijn geschaafde knieën

  • Exen (III)

     

    Eelt van het voelen; te veel gespit, geplant dat nooit

    Wilde bloeien

     

    Ik was een idioot, geef maar toe; met mijn voeten

    Viel te spelen. Mijn schoenen uitdoen bijvoorbeeld

    En me dagen laten lopen

     

    Thuis maakte ik dan slagzij, lag er weken op mijn

    Zij. Wat in die nachten is ontloken is geen

    Doodsbloem nog stinkende drakenwortel

     

    Velden vol klaprozen met hier en daar een kruis

     

     

  • Incommunicado

     

    En ach, werd het ook hem teveel

    Een kamerplant die de gordijnen sloot

    Maar ook witte muren gaan dansen van een

    Kluwen op den duur

    Een verschieten uit alle hoeken

     

    De grond aan mijn voeten is een woestijn

    Moet ik opsplitsen, verdelen

    Tot een kind van mezelf

    Niet weten soms naar waar mijn kop te

    Draaien, naar welke zon

     

    Ik heb gehoord van winden die bevruchten,

    Een blazen door merg en been

    Van bijen  die zoemen, bouwen en dienen

    En dat die langzaam uitsterven

  • Dagboek van een optimist

     

    Hoe schoon wel kan zijn

    Wie laat begaan

    Nergens achterstaan

     

    Waar men maskers uitdeelt voor al

    Dat roekeloze heftige, in veel

    Te drukke woorden

     

    Dat doodsmasker heb ik altijd gedragen

    Morgen nooit beschaamd schoorvoetend

    Mijn allengs vluchtend verleden

     

    In elk hoorspel moet ik denken aan

    Jane Mansfield en haar roze muren

    Een doodsmak met al te kleffe zeden

     

    Elk ongeluk dat moet vervellen

    De schilfers op mijn schouders

    Verstrooien wie ik ben

     

  • Zelfbelijdenis

     

    Ik wil berucht zijn in mijn omstreken; rond

    Deze muren moet het gonzen van een naam

    Die honden blaffen wat enkel katten kunnen

    Verstaan

     

    Vader en moeder moeten niet langer schamen,

    Beamen dat ik boetseerde met talent dat sleet

    Tussen mijn verzen (teveel kilometers in dit

    Hoofd)

     

    Uit mijn blok aan hout hebben bewoordingen

    Gepolijst die zijn gemoed leerde inslikken,

    Camoufleren en verbloemen in rare kleuren

    Verdonkeremanen in lichtvoetige, altijd

     

    Huppelende, bedekte  termen

  • Een dichter is geen vuurtoren

     

    Mijn klappertanden is soms al

    Wat ik hoor

    Gebreken die me bezingen in koor

     

    En ach, ik kan me benoemen

    Maar mensen laten zich niet altijd

    Doorgronden

    Dragen hun wonden naar een overkant

     

    Verzuipen in die stroom en ik kan

    Ook niet drijven, afbuigen

    Heb geen kaken als een bever

    En een staketsel is nog geen dam

     

    Een dichter is geen vuurtoren (licht

    Dat schijnt op mezelf). Een moedig

    Manoeuvreren in geen richting. In elk

    van mijn weerberichten zing ik van dooi

  • Uw dienaar spreekt

     

    Wie om dienen, verdienen

    Wroeten; draaien en keren in een graf

    Mijn handen zijn geen schoppen

     

    Vaderland, zonderland

    Haar pluizige rokken

    In blind geloof bots ik met

    Mezelf

     

    Ik wil niet kijken, enkel

    Scheel zien op mijn neus

     

    Vermannen; spieren opspannen

    Om te rusten in hun luwte

    Van tafel en stoel

     

    Mijn altijd langzame  bed

     

  • Valse triste

    Zijn platen waren hem moe
    Had hij ze verleerd
    Noten en woorden ongedeerd
    De partituren van een ander
    Ooit, ergens

    Druipende droefenis in mineur
    heeft hem gekruisigd aan
    De planken van zijn bed
    Weer rechtgestaan op den duur
    Zijn wonden hebben hem overleeft

    Componeert enkel nog op papier
    Een opéra comique die zich niet
    Laat zingen, bezingen
    Hij is zijn grootste criticus
    Zijn ondankbaar publiek

    Op de maat van een lied dat
    Niemand kan horen walst
    Hij elke nacht de kamer rond
    Draait cirkels in zichzelf
    Niemand draait zijn bladzijde om